ARCHIEF gedichten
Novembertranen
mijn lief
mist alle gloed
en glijdt af naar grijs
geen enkele soldaat
was ooit fier op z’n postume prijs
Novembertranen
troosteloos geelbruine lanen
huiveringwekkende echo’s van vogelgekrijs
11 november 2006
O
Viersel
zonder
kathedraal
of
boerentoren
doch
immer fris
hoewel
ongeschoren!
In
de schaduw
van
onze kleine stad
zonder
veel praal
doch
massa’s pracht
zonder
knellende ring
kunnen
we dag na dag
ongegeneerd
en gewis
met
torens vol goesting
elkander
teder liefkozen
zeker
met midzomernacht!
copyright: J.Hoefkens - juni 2004 - all rights reserved!
JAREN '80
een greep uit het eerste dichtwerk
Het zomeruur
Je zal zeggen: de mens is een mooi wezen
maar
wacht, ik vraag je eerst dit te lezen
Bij
de mens komt het hierop neer:
hij
moet ‘hebben’ en steeds meer en meer
In
den beginne moest hij het vuur
en
vele eeuwen later wou hij een zomeruur
Waarom
‘zomer’-uur als het al in de lente begint?
Heeft
men dat nog niet verteld aan ’t nietsvermoedende kind?
Een
kind zou zoiets nooit uitvinden
’t
heeft wel aandacht voor de spelende winden
maar
de mensen leven liefst op hun gemak
en
aan liefde, vrede en nederigheid hebben ze lak
Wordt
het niet eens tijd dat hij zich gaat bezinnen
in
plaats van ook nog de Tijd voor zich te winnen?
Zou
hij niet beter eens wakker worden en groeien
in
plaats van met de dierbare Tijd te knoeien?
Mij
kan het niet schelen die zomer- en winteruren
want
God zal zelf wel bepalen hoelang het hier
op Aarde nog mag duren
28.03.1981
onderstaand
gedicht werd, voor zover ik het me herinneren kan, na veel zweet en tranen in
elkaar gebokst bij de aanvang van mijn laatste jaar als filosofiestudent aan de
KU Leuven ; het verscheen ook in 'WIJZER' (11e jaargang, nr.1, blz.7, nov.1986),
het studentenblaadje van de 'Nieuwe Filosofische Kring' aan het Hoger Instituut
voor Wijsbegeerte, waarvoor ik lid was van de redactie ; mede daarom blijft het
nog steeds één van mijn meest favoriete gedichten...
HET BEGIN VAN HET EINDE...
Het begint te regenen
plassen van bitterheid
een diep dal met huilende wolven
diep in mij
een eindeloze waterval beukt en beukt...
"Wie lang muss mein Leidenszeit dauern?"
geen bloemen, geen zon, geen klokken meer
enkel kanonnen en hopen vlees
de mist trekt langzaam nimfen en feeën mee
weg van mij
er wacht een ontwerelde wereld
zin en doel verloren
vluchtend voor de regen
gelovend en hopend
uitkijkend naar de helende handen van de Meester
maar het regenen stopt
en God draait zich om...
29 oktober 1986
KRANTEN - ARCHIEF