KORTVERHALEN
De eigenlijke inspiratie voor onderstaand kortverhaal heb ik, voor zover ik me kan herinneren, opgedaan uit een gelijknamig, blijkbaar amusant hoofdstuk in het boek: 'Broechemse Brakken' van Jozef DE VOCHT. Onder meer dit boek vormde verplichte leerstof ter gelegenheid van de vroegere moeilijke 'dorpskwis' die jarenlang (begin jaren '80 ?) te Broechem werd georganiseerd.
In 1984 kreeg ik plots een 'schrijfkriebel', en pende m'n eigen 'maatschappij-kerk-kritische' versie neer...
In 1984 kreeg ik plots een 'schrijfkriebel', en pende m'n eigen 'maatschappij-kerk-kritische' versie neer...
Het congres der torens 2.0
Een verhaal neerschrijven dat meer zegt dan wat er staat, is in onze modernste
tijden een activiteit die nog door weinigen wordt gewaardeerd, laat staan
begrepen. Dit verhaal moet dan ook beslist niet gelezen worden door de rationele
wetenschapsmens die in onze huidige maatschappij de rol van de Schepper vervult,
want een afgeknotte geest die alleen maar in cijfers kan denken, is niet in
staat het volgende te begrijpen. Wie het toch probeert, doet dit met enig
risico, wat hij te horen krijgt is immers niet mals. Niet omdat er mensen in
worden beschimpt of afgebroken, wie ben ik om kritiek uit te oefenen? Nee, ik
twijfelde om dit te publiceren omdat het gaat om dé waarheid, en alleen dat!
Spijtig voor diegene die het niet wil begrijpen, ook hij kan nog slecht 'mens'
genoemd worden! Want het is een verhaal over mensen, maar een verhaal verteld
door dingen, gebouwen die in ons midden staan maar waar we niet meer naar
kijken, tot er een stelling arriveert...
Het was een vrijdag, de 16de maart 1984, een zware dag was het geweest. Voor de
kinderen en de arbeiders de langste dag van de week, want ze zitten te wachten
op die verheerlijkte, vergoddelijkte en alom geprezen en bejubelde zaterdag.
De sneltrein naar huis was in de late namiddag al begonnen, een mierenbende die
De sneltrein naar huis was in de late namiddag al begonnen, een mierenbende die
wriemelend zijn nest opzoekt. Allen op naar de villa's, appartementen en
huurhuizen, ieder in zijn eigen hokje, televisie op en zacht wegluieren in de
relaxzetel. Het licht buiten was onopgemerkt uitgedoofd en de maan, zo vol als
ze die avond was, stond in die donkerblauwe immense ruimte gewoonweg te
schitteren, wachtend op het grootse gebeuren. Ze was de aankondigster van een
schouwspel. De geasfalteerde en betonnen straten begonnen er stil bij te liggen,
ze koelden af en kenden weer een tijdje rust, tot morgen... Het was in ieder
geval 'koel', zelfs koud! Maart moest ons de lente brengen en dat zou ze ook,
maar de laatste dagen was het koud geweest. Ook die nacht van de 16de zouden de
grastapijten weer 'witten' en een lichte bries sneed als een elektrisch broodmes
langs m'n oren, het riep herinneringen op aan de voorbije winterdagen.
Nog enkele honderden meters en ik zou thuis arriveren. De fiets kraakte wat onder
Nog enkele honderden meters en ik zou thuis arriveren. De fiets kraakte wat onder
mijn zware pedaalslagen. Ik kwam uit Ranst en het was laat geworden in het café.
Vrienden, daar moet je het van hebben. 2 uur 's nachts is een uur waarop je in
het dorp alleen nog je eigen adem hoort zuchten, even alleen op de wereld. Dat
dacht ik maar, want wat ik toen beleefde, enfin 'hoorde' bedoel ik, grenst aan
het ongelooflijke. Het verhaal dat ik ooit gelezen had in "Broechemse Brakken"
dreigde zich te herhalen, en het was nog fantastischer dat juist ik alles mocht
aanhoren...
Toen ik de kerk passeerde had ik nog gedacht: "Zie ze daar staan, onze
kathedraal, opgekuist, hoeveel jaar heeft het nondedju niet geduurd, z'hadden
beter een nieuwe gezet, zo'n moderne met veel glas, da's toch mode!"
De brede bocht naar rechts langs de kerk eindigt in een haakse en gevaarlijke zwenking
De brede bocht naar rechts langs de kerk eindigt in een haakse en gevaarlijke zwenking
naar rechts en het was daar dat alles begon! Een zwaar gedreun naderde plots van
rechts, "Wel wa's da verd...!", was het enige dat ik die nacht nog gezegd
heb, op hetzelfde moment lag ik met fiets en al reeds tussen de 'pilaren' van de
boekenwinkel, en me verroeren, dat was er niet meer bij. Het was een voordeel
dat het veiligheidslicht in de boekenwinkel brandde, zodat ik van die kant hulp
kreeg om in de door enorme schaduwen veroorzaakte duisternis toch nog alles
klaar te kunnen zien. Het waren massa's, enorme blokken bakstenen, die zich als
een begrafenisstoet, log en traag voortbewogen, richting kerk, en pas toen
besefte en zag ik dat het allemaal kerkgebouwen waren. Maar ge zou gek zijn
indien ge u niet eerst afvraagt of ge droomt! Maar nee, 't was werkelijk,
ongelooflijk en alleen ik was daar als mens, de rest bleek in slaap gewiegd.
De kerken met hun metershoge, in de lucht priemende torens, stonden nu stil, in
De kerken met hun metershoge, in de lucht priemende torens, stonden nu stil, in
een kring rond de kerk van Broechem. Ze leken te vergaderen, maar 't was stil...
Ik hoorde m'n eigen adamsappel tegen m'n slokdarm slaan, de spanning was niet te
dragen, ze mochten me vooral niet horen, maar vanachter een bakstenen pilaar was
alles veilig, en de maan deed haar best om het een feestelijke tint te geven,
als kaarsen op een vergadertafel. Maar waarom gebeurde er niets, 't was zo stil,
'k zou willen roepen hebben, maar wie ben ik? En wie waren zij?
Toen merkte ik een witte duif op die vanop één der kerken een zwak gekoer begon.
Plots viel mijn frank, die kerk was Ranst! En rechts van Ranst stond Oelegem met
hare dikke nek. Ietwat verscholen achter Ranst stond Emblem, ja haar herkende ik
ook, ze was niet zo groot en niet zo 'uitzonderlijk'. Ook vanop Oelegem en
Emblem koerde nu een duif, ze riepen naar Broechem, maar op Broechem was geen
duifje te bespeuren.
"Ach, sukkelaars," dacht ik, "de pastoor heeft ze allemaal
weggejaagd, wette gelle da na ni!"
Plots klonk echter de zware leidersstem van Ranst: "Broechem... Broechem, wij zijn het!"
Plots klonk echter de zware leidersstem van Ranst: "Broechem... Broechem, wij zijn het!"
"Amai," pikte Emblem daar op in, "ze heeft het hard zitten."
"Broechem, zijt ge ziek of wat is er?" vroeg Oelegem met een klank van
medelijden in haar vraagstelling.
"Ach, zusters," klonk eindelijk met een vermoeide stem, "'t leven is hard en
niet alleen voor de mens."
"Maar hoe komt het toch dat ge ons geroepen hebt, waarom zijt ge zo
pessimistisch, zo kennen we u niet meer!" ratelde Oelegem aan één stuk door.
"Ach, jaren zijn vervlogen sinds we elkaar de laatste keer spraken, er is zoveel
veranderd, de fusie heeft er voor gezorgd dat onze groep verkleind is, enkel
jullie blijven over, het is toch zo'n eenzaam gevoel."
"Ja, dat is juist Broechem, de anderen komen niet meer, we groeien uit elkaar,
Zandhoven, Viersel, Massenhoven, wie hoort er nog van?" voegde Ranst met haar
autoritaire stem er aan toe.
"En dan die herstellingen die ze uitgevoerd hebben, mijn lijf is er nog
ondersteboven van!"
"Maar Broechem toch, dat was een goede zaak, nu zie je er weer fris, goudgeel en
echt prachtig uit!" bewonderde Emblem.
"Ja, daar hebt ge gelijk in, maar was dat allemaal wel nodig, ik bedoel, moest
dat werkelijk zo lang duren, 't is nu zeker al een drietal jaar en eindelijk
laten ze me nu bijna met rust, ge zou van minder gek worden!"
"We kunnen er inkomen," zuchtte Oelegem en keek naar Ranst die er op inpikte,
"Ja, 't is een heel moeilijke tijd voor je geweest, maar wees verheugd, in mei
gaan ze je vieren, iedereen praat er over!"
"Ook dat nog!" onderbrak Broechem, de anderen schrokken er toch wel van, "of het
allemaal nog niet genoeg is geweest, nu gaan ze nog gek doen ook, maar ik weet
het wel, 't is weer een idee van de pastoor, er moet geld in het laadje komen,
'k vraag me soms af waarom hij dan precies mijn huid wou vernieuwen, hadden ze
me niet beter laten wegteren, zo'n restauratie dat kost geld, geld dat ze beter
voor andere, dringende doeleinden hadden gebruikt, ze prediken toch over de
ellende, de armoede, zelfs in onze eigen schaduw leven onze mensen in soms
erbarmelijke toestanden, maar dat zien ze niet eens! Nee, de kerk moet hersteld
worden, en iedereen, zelfs het oudje op de hoek zal z'n laatste cent in het
mandje gooien want het is toch voor de kerk van iedereen! Ik heb ze zo zondag na
zondag horen janken, nee, van zulk een gemeenschap wil ik de parochiekerk niet
meer zijn, ik sta hier tegenwoordig dik tegen mijn goesting. En nu gaan ze me
nog vieren ook, dan zal er wel volk zijn, maar 's zondags in de mis is het gene
vette meer. Ach, de mensen weten wel beter, thuis is het zoveel warmer, want ook
dat is waar: ik verga soms van de kou, de mensen weten het wel beter, als ze
maar thuis blijven, ze hebben gelijk, God is overal, ook bij de haard en in de
TV."
"Maar Broechem toch, ge bent er erg aan toe!" riep Emblem verontwaardigd, "Ik
trek toch nog heel wat volk, de mensen gaan toch nog veel naar de mis!"
"Gij moet veel zeggen Emblem, er kan hoop en al vijftig man binnen bij u en de
mis is binnen 't half uur uit, natuurlijk dat gij altijd vol zit, wie zou nu
niet graag vlug thuis zijn, stel uzelf in de plaats van die armzielige mensen
die niet beter weten!"
"Maar zulke beledigingen..." protesteerde Emblem heftig.
"Kom, zusters alsjeblieft, we komen hier toch geen ruzie maken zeker!?" greep
Ranst op tijd in, "Kom, laat ons liever denken aan het zieke Millegem, ze is er
zo erg aan toe dat ze niet eens kon komen! Ze zullen haar ook moeten
restaureren, maar er is nog geen geld..."
"Ja, de mensen beginnen dat te kennen!" voegde Broechem er ironisch aan toe,
"Geld, zusters, daar draait nu alles om, vroeger ging men met geld naar de
bakker, de kruidenier, kleren kopen, geld diende om in leven te blijven, nu niet
meer, geld daar moet ge nu mee smijten, anders komt ge niet meer in den hemel.
En aan deze filosofie doet onzen pastoor goed mee."
"Maar 't is toch ne slimmen mens?" meende Oelegem te weten.
"Inderdaad, zeg dat wel," vervolgde Broechem,"'k weet nog goed de periode dat de
missen in de meisjesschool door gingen, toen ze mijn ingewanden binnenin aan het
verknoeien waren, toen slaagde hij er in de mensen twintig franken af te
troggelen als stoelgeld, en die mensen weten niet beter, ze luisteren en doen
wat er gezegd wordt. Weten ze dan nog altijd niet dat ge met geld de hemel niet
kunt verdienen, die twintig franken dienden dan nog zogezegd voor ons aller
parochiekerk! Nee, de mensen begrepen het niet, ze trappen allemaal in de val,
de godsdienst is duidelijk opium geworden voor het volk, ze moeten dom blijven,
als ze maar geld in het mandje smijten, de pastoor zal wel in de handen wrijven,
zo is het zusters tegenwoordig, en niet anders."
De anderen zwegen een poosje, Broechem had weer eens gelijk.
"Toch ziet ge er prachtig opgekuist uit!" riep Ranst op een plechtige manier,
"Ge ziet er zo licht en groots uit, ge straalt licht uit tot ver in de omtrek,
't doet soms zeer aan de mensen hun ogen."
"Ach, ik trek het me niet te veel aan," zuchtte Broechem zwaar als lag ze op
sterven,"wat ze me aangedaan hebben, zal ik nooit vergeten, inderdaad, ik zie er
proper uit voor de mensen, maar innerlijk ben ik nog altijd ziek, ik ben het moe
en had me liever vervangen zien worden. Trouwens het gildenhuis kan dienen voor
begrafenissen, dat hebben ze een hele tijd gedaan, gewoonweg verschrikkelijk was
dat, mensonterend, indien de overledenen dat op voorhand geweten hadden, dan
hadden ze uit protest zeker niet willen sterven. Vandaag ging er eentje de laan
uit, liever gezegd het gildenhuis in en uit en 's avonds was er een frivool
volksbal met zwierende rokjes en plassen bier! Dat ging toch té ver! Maar ook
daar durfden de mensen niet op reageren. De pastoors zijn in de loop der jaren
in één ding geslaagd: het volk is letterlijk én figuurlijk een schaapskudde
geworden, de herdershonden zorgen er wel voor dat ze op het rechte pad blijven,
het pad van de pastoor natuurlijk!"
"Maar een kerk is toch meer dan een laatste dak boven het dode lijf?"
protesteerde Oelegem enigszins.
"Wat ge daar niet zegt," repliceerde Broechem weer,"Oelegem toch, zijt ge dan
blind?! De enige keer dat ik volloop is met een begrafenis en zo is het bij
jullie ook, want diegenen die anders naar de mis gaan, zijn ofwel gek ofwel nog
gekker omdat ze zogezegd gaan wegens een innerlijke overtuiging terwijl ze meer
dan de helft van de mis liggen te dromen of zelfs te slapen! Nee zusters, geloof
daar toch niet meer in, de mensen geloven niet meer, ze zijn daar zelfs te lui
voor, want als ge gelooft moet ge naar de mis. En niet de jeugd is hierin fout,
nee, ze zien immers het slechte voorbeeld van hun ouders. Als ge naar de mis
gaat als jongere dan is dat uit overtuiging van het bestaan van een hogere
macht, spijtig genoeg willen de grijsaards van vandaag dat hun kinderen dat God
of Jezus noemen en dat is nu juist fout, dat erkent de jeugd niet, ze willen
videoclips en brood en spelen, maar kom niet af met Jezus uit de stal, want die
hebben ze nooit gezien en de tijden zijn nu zo eenmaal geëvolueerd: wat ge niet
kunt zien, bestaat niet, ja ja... zo is het tegenwoordig. Zusters, wij zijn
overbodig geworden, monumenten van een grijs verleden, tekens van een vergissing
die eeuwen kon standhouden, hoelang nog echter?"
"De mensen zullen toch altijd blijven geloven," riep Emblem uit, "dat kan je
toch niet negeren!"
"Inderdaad," gaf Broechem onmiddellijk toe, "maar hoelang gaan ze dat geloof nog
willen tonen en hoelang gaan ze het nog willen financieren? Het geld diende om
mij op te lappen, om prestigieus te kunnen uitpakken met een fotoboek, om feest
te kunnen vieren. Maar de armen uit de streek, het lijden, het verdriet werd
vergeten, en dat is toch dé Boodschap geweest: leef met de armen, geef je aan de
armen. Maar dat is men vergeten, men aanhoort het nog enkel in de mis wanneer de
pastoor voorleest uit z'n grote sprookjesboek. Gelukkig zijn er tegenwoordig
wijze mensen waarbij het besef aan het groeien is dat het zo niet verder kan. Er
moet iets, en nog meer: er zal iets veranderen. De Kerk als instituut maakte in
de middeleeuwen een crisis door die ze niet kon oplossen. Het concilie van
Trente in de zestiende eeuw bracht fris bloed maar de crisis bleef en toont zich
nu meer dan ooit, en indien men niet bijdraait en een nieuw levensideaal laat
wegrotten in plaats van het met luide stem te verkondigen dan zullen wij,
zusters, overbodig worden en leeg... De mensen moeten terug hun oorsprong en hun
taak zoeken die ze zijn vergeten, wanneer iedereen dit zal beseffen, zal een
nieuwe tijd aanbreken en kan men gaan werken aan het nieuwe levensideaal!"
"Dan is er toch nog hoop?" dacht Ranst hieruit te kunnen besluiten.
"Jazeker, maar 't zal nog een hele poos duren, en daartegen ben ik misschien al
terug zwart, verbrokkeld en versleten, nee dat had men nooit met me mogen doen,
zusters, als ge oud wordt, laat u dan vervangen door een modern gebouw en
vergeet het verleden... in Broechem hebben ze dat echter nooit begrepen, maar
eens zal men inzien dat het nutteloos was, men moet vooruit zien en handelen, er
wordt hier te veel gepraat, maar doe iets, bouw aan de toekomst en breek die
oude dingen af... ach, het heeft geen zin als geen mens me hoort."
"Het is tijd om te gaan, we zullen je les niet vergeten Broechem en we zullen
waken over ons volk, met de hoop dat ze ooit weer de goede weg inslaan!"
Na deze woorden van Ranst werd het weer stil alvorens de kolossen in beweging kwamen en
aan de horizon verdwenen, elk in de richting van hun slapend volk.
Maar ik als mens, had alles gehoord en Broechems wijze woorden zouden niet
tevergeefs geklonken hebben. Ik klom terug op m'n fiets, zag nog eenmaal om naar
onze kathedraal en merkte tot m'n grote ergernis voor de zoveelste keer dat de
kerkklok nog altijd het juiste uur niet aanwees.
"Misschien wegen de gulden wijzers te zwaar..." dacht ik ironisch. Ach, kritiek is
makkelijk, maar 'doe iets' had Broechem gezegd en ze had groot gelijk, wij zijn
een grote bende niets-doeners, we vereren Amerika en haten het Oostblok, maar
'doen' is er niet meer bij.
En daarom schreef ik het gebeurde op, met het besef dat niemand het
makkelijk, maar 'doe iets' had Broechem gezegd en ze had groot gelijk, wij zijn
een grote bende niets-doeners, we vereren Amerika en haten het Oostblok, maar
'doen' is er niet meer bij.
En daarom schreef ik het gebeurde op, met het besef dat niemand het
zou geloven, maar het is waar, zo waar als er een hogere macht bestaat die ons
overstijgt. Maar hoe moet ik beginnen met iets te doen tussen een bende, een
horde, die liever rondhort met oude versleten waarheden en de nieuwe niet wil
aanhoren? Zalig zij die doen en in hun 'doen' geloven, want zij zijn waarlijk
wijs...
EINDE
copyright: J.Hoefkens - Broechem 1984 - all rights reserved!
De film 'Der Untergang' (2004), over de laatste dagen van het naziregime in de Berlijnse bunker in 1945, vormt nog steeds met grote regelmaat een onderwerp van discussie. Maar stel nu eens, puur hypothetisch uiteraard, dat Adolf Hitler destijds ontsnapte en verdween...
Het geheim van Herr Adam
kortverhaal - kerstmis 1981
De trein kwam piepend en krakend tot stilstand, een soort tot stilstand komen
zoals iedereen dat al wel eens ervaren heeft. "Het zal dan wel traditie zijn..."
dacht ik.
Het was 10.30 uur. De trein had vertraging opgelopen in Besançon, één van die
Franse stiptheidsacties. Van Besançon tot in Bern had de trein een hoog tempo
aangehouden, maar toch nog te laat aangekomen, precies een half uurtje. "Kom, de
koffers..." gebood vader een beetje nors. Het was een zware ochtend geweest. De
anderhalve week vakantie zou ons deugd doen. Ik nam mijn eigen koffer, terwijl
vader de nog twee overblijvende voor zijn rekening nam. Moeder was blij dat we
al in Bern waren. "Perron 13... waar ligt perron 13?" vroeg ze, druk om haar
heen kijkend. "Daar..." antwoordde ik kort. Het was een heel eindje gaan.
Hetzelfde ritueel met de koffers, maar omgekeerd nu. Kort daarop rolden de
wielen weer over het staal, richting Erlenbach...
Het was al middag toen we het station van Erlenbach verlieten. Een typische
alpenbus bracht ons verder naar Grimmialp. "Alpenhut", zo heette het
plaatselijke hotel waar de overige kamers reeds bewoond bleken te zijn. We waren
dus de laatste gasten die arriveerden. Buiten het hotel vond je nog enkele
herbergen, meer niet. Eenvoudig en rustig, zo moet het zijn. Kamer 82, netjes,
alles in orde, een heel ruime en comfortabele plaats voor ons met z'n drietjes.
We hebben er voor de rest van de dag met volle teugen van genoten. Even op adem
komen. De eerste rust is immers steeds de beste die er is...
We zouden de eerste dag al gaan wandelen, al was dat onze grootste hobby niet,
zeker niet met zulk een koud weer. Een kortstondige slentering in de nabije
omgeving was al genoeg hadden we afgesproken. Vooraleer we vertrokken had moeder
me opgedragen het postkantoortje eens binnen te wippen om twee prentkaarten en
postzegels te kopen, dit om beide grootmoeders gerust te stellen. Warm was het
er niet daarbinnen, vrij wanordelijk ook. Een struize vrouw van middelbare
leeftijd hield de wacht achter haar stoffig bureau. Het duurde heel wat eer ze
wist wat ik hebben moest. "Zou mijn schoolduits dan zo onverstaanbaar zijn?"
vroeg ik me ongerust af. Ze verdween achter een gordijn, op zoek naar de
prentkaarten. Ik maakte een halve draai en keurde het vertrek van boven tot
onder. Het gaf me een eigenaardig gevoel toen ik plots bemerkte dat ik niet
alleen binnen was. Een hoestende oude man kwam van achter één der rekken te
voorschijn. Hij had er enkele tijdschriften, een krant en een slof sigaretten
gevonden. Ik keek hem aan... ik bleef kijken... "God, ik ken hem!" gonsde het
door mijn hoofd. "Waar heb ik dat gezicht nog gezien?"
De oude man draaide zich om en verdween weer achter een rek. "Maar ja,
natuurlijk, dat is... nee, dat kan toch niet, of toch...?" Ik stond sprakeloos,
mijn hersens produceerden in een hels tempo steeds nieuwe gedachten. "Gelukkig
dat ik zijn naam niet hardop moet zeggen, wie zou me geloven?" Maar die man
was... Hitler? Zeker en vast, weliswaar oud, hij moet zeker al zo'n 92 zijn, op
zijn minst. Ik trachtte hem nog eens goed te bekijken, het was haast onbeleefd,
maar de gelijkenis met de foto's uit de schoolboeken was zo groot. "Hij is
natuurlijk oud geworden, maar... nee, ik droom, dit moet toch al meer mensen
opgevallen zijn, of niet? Zwitserland was neutraal in de oorlog,
geschiedenislessen van november jongstleden, misschien zijn die Zwitsers niet
sterk in geschiedenis? Nee, dit klinkt toch té belachelijk!"
"Bitte Herr!", ze was terug. Ik betaalde en met op hol gebrachte hersens verliet
ik het winkeltje. Gedurende de hele wandeling heb ik maar aan één ding gedacht.
Het wou niet uit m'n hoofd. Het moest wel één van mijn verbeeldingen zijn, een
vage droom, maar nee, ik besefte goed dat het écht was. Ik had hem gezien en ik
zag in die man Hitler, niemand kon dat toch ontkennen, hij was het gewoon punt
uit. Is Hitler wel in zijn bunker gestorven? Of gevlucht zoals ook velen
beweren? Naar waar? Naar Zwitserland? Kleine kans, doch best mogelijk! En Eva
Braun, dood of levend, waar? Ook hier in Grimmialp of ergens in Skandinavië
zoals Amerikaanse journalisten beweren? Ik moest weten wie die oude man
werkelijk was. Hoe zou zijn naam zijn? Wat zou ik doen als het echt stoute Adolf
zou zijn? Hem aangeven? Nee, de wereld zou sensatie willen, een proces, een
wrede wraak... En toch moest ik er alles van weten...
's Anderendaags wipte ik op de middag het winkeltje weer binnen. Het was
dezelfde vrouw die achter het stoffige bureau stond. Ze herkende me onmiddelijk.
"Gutentag, möchte ich etwas fragen?" vroeg ik met een ietwat bibberende
schoolduitse stem. "Gerne" klonk het vanachter het bureau. "Der alte Mann, den
gestern hier war, wie ist seine Name?". "Das ist Herr Adam, aber seinen weitere
Name kenne ich nicht." Daarmee wist ik het. Herr Adam, dat bewees nog niets,
alleen heeft 'Adam' een tikkeltje gemeen met 'Adolf', en was Adam niet de man
van Eva? Ik besloot om deze zaak grondig aan te pakken en ik wou absoluut de
volgende dag al een einde maken aan de vele twijfels en de nog lichtzinnige
vermoedens. Toen ik 's morgens om negen uur het oude heertje plots zijn huis zag
verlaten, liet ik het portaal van het hotel achter me en liep in zijn richting.
Ik had alles goed ingeoefend. Alles moest op het juiste moment geschieden. Er
zou beslist een einde komen aan de mysterieuze waas rond die oude man, die
anders onze ganse vakantie dreigde te gaan beheersen...
Op school hadden we het strijdlied te horen gekregen van de toenmalige
arbeiderspartij 'NSDAP' die Hitler opgericht had. Het refrein was een vrij
simpel te fluiten melodietje. Toen de oude man geen vijf meter meer van mij
verwijderd was, begon ik het wijsje te fluiten... Hij schrok meteen, dat zag je.
Nu wist ik het zeker. Hij was angstig, keerde zich om en verdween in de eerste
de beste herberg. Er bestond nu geen twijfel meer, hij was het... Voor de rest
van mijn leven zou ik een groot geheim moeten dragen, het geheim van Herr
Adam... de doder die nooit gedood werd. Ik heb het ook nooit aan mijn ouders
verteld. Wie zou me immers geloven? En toch is het zo gebeurd, in Grimmialp, de
woonplaats van de meest weerzinwekkende, veroveringszuchtige man die de wereld
ooit gekend heeft. Zou ik de énige zijn die het weet? Een onoplosbare vraag!?
Hopelijk vinden ze nooit Eva. Vrouwen kunnen immers geen geheimen bewaren...
EINDE
copyright: J.Hoefkens - Broechem 1981 - all rights reserved!